
Het meest lullige beeld van de voorbije maand, zag ik op de BBC. Nu is de BBC een gedegen zender, waarbij je je niet aan pietluttigheden verwacht. Ook niet wanneer ze daar een sportprogramma maken. Het gebeurde in The Crucible Theatre in Sheffield waar jaarlijks het wereldkampioenschap snooker plaatsvindt. Zo’n titanenmeeting is op zich al iets bijzonders: een keure gentlemen uit alle delen van onze aardbol, maar voor het merendeel toch afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk, die zich aan het typisch Britse biljartspelletje met de vijftien rode en zes gekleurde ballen waagt. Gehuld in modieuze avondkledij dan nog (edoch, zonder pandjesjas). Inzet: de mooie som van driehonderdduizend pond. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat het spel nauwgezet wordt gesuperviseerd door een referee mét pandjesjas, witte handschoenen en argusogen.
Zelf ben ik verslingerd geraakt aan dit spelletje. Meer dan voetbal vind ik het een sport die gemaakt is voor televisie. Eens je de regeltjes onder de knie hebt, is het spannender dan om het even welke televisiekrimi. Er wordt immers gespeeld in een gewijde stilte, zonder die scharen dansende en boe-roepende fans. Zelfs de oh’s en ah’s van het (in Sheffield uiteraard: kenners-)publiek bij een onmogelijk geachte of onbegrijpelijk gemiste stoot worden onmiddellijk bestraft met een ‘Quiet, please’ van de opperpriester-van-dienst die alles in goede banen hoort te leiden. Zoals het voetbal (met Alfredo Di Stefano, Ferenç Puskás, Pelé, Maradona,…) kent ook het snooker een aantal iconische spelers (zoals Alex Higgins, Steve Davis, Dennis Taylor, Stephen Hendry). En… Ronnie ‘The Rocket’ O’Sullivan, mijn absolute favoriet. Wegens simpelweg geniaal. Als Ronnie speelt hóór je letterlijk wat het betekent als zijn tegenstander mentaal kraakt. Vertwijfeld buigt die dan het hoofd, kijkt weer op en staart vijf seconden met een verwijtende blik naar de hemel. Volgt nog een zucht die alle frustratie van de hele mensheid in zich draagt en een amper merkbaar nee-knikje. ‘Frame mister O’Sullivan,’ verklaart de referee dan met plechtige stem. En dan weten we het: dit is een vogel voor de kat, er staat weer eens geen maat op onze Ronnie.
Als O’Sullivan aan de tafel moet verschijnen, ben ik dus best bereid daar een stukje avondrust in te investeren. Om met hem mee te mogen leven in zijn poging om voor de zesde keer wereldkampioen te worden. Dat deed ik dus ook tijdens zijn kwartfinalepartij tegen Stuart Bingham. Likkebaardend naar de meester kijken… die soms ook wel eens opvalt door hoogstonconventioneel gedrag. Enkele dagen eerder al had The Rocket last van een pijnlijke grote teen en trok, helemaal in strijd met de snookeretiquette, zijn schoenen uit en ruilde die voor een groter paar met iemand uit het publiek. Consternatie. Toen hij zich even later heel intens witgloeiend kwaad maakte – vooral op zichzelf – bij een gemiste rode bal, kreeg hij een officiële waarschuwing. Bij herhaling van dergelijke grappen zou hij uit het toernooi gehaald worden. En toen kwam dus die partij tegen Bingham. Het liep die avond voor geen meter voor O’Sullivan en vanuit mijn fauteuil zag ik zijn brein steeds onmogelijker oplossingen verzinnen voor nochtans eenvoudige problemen. Dan, nog even wat krijt aan de keu voor die ene stoot die de partij gaat doen kantelen… Achteloos legt hij het krijtje op de rand van het biljart, drentelt nog even rond, maakt zich op voor die briljante stoot… ‘What a mistake - Wat een fout,’ hoor ik de BBC-commentator in mijn oor fluisteren… ‘Dit kan hem op een diskwalificatie komen te staan.’ Nee toch! Een krijtje op de rand van het biljart! Doodzonde! Kortom, O’Sullivan verloor de partij, ook zonder diskwalificatie. Zelfs genieën zijn mensen en kunnen keihard op hun bek gaan.
Diezelfde nacht had ik een nare droom. William ‘The Bard’ Shakespeare werkt aan zijn meesterwerk ‘Hamlet’, maar dat wil niet echt vlotten. Net nog heeft hij het zinnetje ‘to be or not to be, that’s the question’ verzonnen, maar dan: writer’s block. Misschien dat een wandelingetje in de nog ongeschonden natuur hem daaruit haalt? Maar nee hoor, het helpt echt niet. Vertwijfeld en inspiratieloos loopt hij een uurtje later zijn stulp in Stratford-upon-Avon weer binnen, keilt zijn schoenen in de hoek, wegens pijn aan zijn grote teen. Op kousenvoeten loopt hij naar zijn schrijftafel en leest de laatste regel die hij geschreven heeft. Intens witgloeiend kwaad wordt hij ervan. Wat een kl*teregel! Hoe moet je daar nu mee verder? Hij vist de ganzenveer uit zijn pot met inkt, klaar om die zin te schrappen, maar hij bedenkt zich. Zijn brein draait nu op volle toeren : ‘whether it is nobler in the mind to suffer…’ Peinzend en achteloos legt hij zijn ganzenveer naast zijn inktpot… Ik houd mijn adem in…
‘Zouden we hem nu niet beter diskwalificeren en uit de wereldliteratuur halen?’ fluistert een boosaardige muze me in het oor. Geschrokken schiet ik wakker. Blij dat het niet waar is.