
Gisteren ging ik mijn zoon ophalen. Op de luchthaven van Charleroi, die zich, niet zonder dichterlijk overdrijving, Brussels South Charleroi Airport noemt. De laatste keer dat ik er geweest ben, was toen we met vrienden naar Dublin vlogen. Jaren geleden. Brussels South heette toen nog gewoon Charleroi, een luchthaventje van twee keer niks, vergelijkbaar met het treinstation van Hasselt. Eén startbaan, één landingsbaan, één incheckbalie, één – toen al – aftands cafetaria. Dat was alles. Sinds Ryanair niet enkel meer naar Ierland vliegt, is er een en ander veranderd. Toen ik met de lage winterzon in de ogen de parkeerplaats opdraaide, kreeg ik al onmiddellijk een multiplechoicevraag op te lossen: express parking, P1 of P2? Kiest u maar. In mijn naïveteit koos ik voor parking twee. Daar hing een groot bord met een pictogram erop, waaruit ik kon opmaken dat wandelen naar de terminal me acht à tien minuten ging kosten. Omdat wandelen gezond is, volgde ik de aangewezen pijltjesroute. Even later bleek ook die terminal flink uit de kluiten gewassen, want er worden nu ook passagiers verwelkomd uit Skopje, Brindisi, Santander, Podgorica en Boekarest. Boekarest. Met die vlucht keerde mijn zoon terug van een academisch congres in Bulgarije… Gods wegen zijn wonderbaar. Aan de ingang van arrivals werd ik argwanend ontvangen en bestudeerd door drie soldaten in fullcombatuitrusting: kogelvrij vest, nachtkijker, pistool nonchalant in de holster en vooral een automatisch machinegeweer, losjes in de polletjes, de loop zedig naar de grond gericht. Het geheel in camouflagekleuren. Alleen de helm ontbrak, braafjes vervangen door een baret. Met een boogje liep ik rond die stoere en afschrikwekkende jongens heen. Rond hen die waken als wij slapen. Rond hen die voor onze veiligheid instaan in deze tijden van dreiging.
Terwijl ik me in een van de vele voedsel- en drankstalletjes een cappuccinootje permitteerde, dacht ik terug aan de eerste soldaat die ik in mijn leven ontmoet heb. Dat was mijn oom. Hij was met ‘verlof’ tijdens zijn legerdienst en gebruikte de gelegenheid om zijn familie nog eens te bezoeken. Hij ‘lag’ in Duitsland en had helemaal niets afschrikwekkends. Een kaki uniform met koperen knopen en een baret met een koperen leeuw op een donkerrood veld. Dat was alles. Ik was vijf of zes jaar toen en weet nog dat ik benieuwd naar zijn geweer informeerde. Dat had hij niet meegebracht, evenmin als zijn granaten. Met pretlichtjes in de ogen legde hij me wel uit hoe je die moest gooien. Handen gestrekt naar voor, pin er uit, arm naar achter en op de derde tel met gestrekte arm… gooien maar. Boem! Na zijn afzwaaien een half jaar later deed hij me één van de koperen knopen van zijn uniform cadeau, zo eentje met een klauwend Belgisch leeuwtje erop. Daar was ik tijdens zijn bezoek toen verkikkerd op geraakt en ik vond het een geweldige trofee, die ik jarenlang in mijn sigarenkistje met prullaria bewaard heb. Tot ik zo’n twintig jaar later zelf onder de wapens werd geroepen. Toen verdween mijn fascinatie voor koperen knopen en insignes als sneeuw voor de zon. Teveel poetswerk.
Terwijl ik rustig van mijn drankje zat te genieten, wandelden de drie rambo’s met duidelijke tegenzin door de lange allee die de aankomsthal met de vertrekhal verbindt. Ik kon me niet voorstellen dat één van hen – zo uitgedost – plots een reclametasje van Ici Paris in de linkerhand zou dragen. En uit mijn herinnering dook plots een ander voorval op. Het gebeurde zo’n veertig jaar geleden. Aanslag op de diamantwijk in Antwerpen. Op die dag begeleidde ik als jong leraar een groep scholieren die een studie-uitstap maakte. We waren met de trein aangekomen in het centraal station en moesten met de trap naar het daglicht, naar het Astridplein. Een paar scholieren van me deinsden onwillekeurig een paar passen terug toen ze boven aan de trap een tot op de tanden bewapende rijkswachter ontwaarden: met helm, kogelvrij vest, mitrailleur… ‘Laat mij maar eerst’, zei ik moedig en wandelde zelfbewust de trap op. Vanuit kikkerperspectief leek deze robocop er zo mogelijk nog angstaanjagender en – vooral – kolossaler uit. Hij bekeek me – terwijl ik met steeds meer argwaan mijn golgotha beklom – met de minachting die Goliath voor David moet gevoeld hebben. Toen we boven oog in oog stonden, vroeg hij met een verrassend schriel stemmetje: ‘Hebde gaa aa paske baaj, menier?’
Ondertussen is mijn zoon aangekomen. De bagage is opgehaald en we zijn klaar om naar huis te gaan. Hij begrijpt niet waarom ik moet lachen als ik drie gewapende soldaten zie voorbijlopen…